Ik moet komen van heel ver.
Ik ben de Vloed.
Maar ik weet ook,
Dat ik terug moet.
Dat is de Eb die dat doet.
Maar steeds wil ik terugkomen.
Ik neem dan in m'n kielzog mee.
De souvenirs van de zee.
Zoals schelpen kwallen en zeewier.
Want dat vind je niet hier.
Maar de zee heeft nooit veel tijd.
Steeds moet ik weer terug.
Dat is de wet van het getij.
Blijf maar wachten roept de zee.
Want het zal niet lang duren.
Hoogstens twaalf uren.
Dan kom ik terug.
Met heel veel zeedieren op m'n rug.